Overslaan en naar de inhoud gaan

U bent hier

Schoolboeken achter de schermen

maandag 18 januari

Wonder is de nieuwe reeks van wetenschappelijke doe-boeken voor het secundair onderwijs waaraan Nele Vandamme, praktijkonderzoeker en lerarenopleider aan hogeschool UCLL, meewerkt in opdracht van uitgeverij VAN IN. Het is een activerende reeks van leerboeken voor de leerling én de leerkracht volgens de regels van de kunst. Afgestemd op de nieuwe eindtermen en meerdere basisopties, flexibel inzetbaar en differentieerbaar inclusief een duidelijke verbinding tussen alle wetenschapsvakken. Dat lijkt een onbegonnen werk, maar co-auteur Nele legt uit:

“Ik voel me heel erg verantwoordelijk voor de kwaliteit van wetenschapsonderwijs en wil alle kansen grijpen om daar een steentje aan bij te kunnen dragen”.

Uit liefde voor het onderwijs delen we het verhaal van schoolboeken achter de schermen.

 

hoe kom je op het idee om een nieuw boek te schrijven voor wetenschapsleerkrachten?

          Nele: Vanuit het expertisecentrum Art of Teaching heb ik een tijdje aan een onderzoek rond actief leren in wetenschapsonderwijs gewerkt. Dat was een fijne en leerrijke uitdaging waarbij ik mezelf echt heb kunnen professionaliseren. De uitkomst van dat onderzoek was bovendien heel interessant en een meerwaarde voor de leerkracht wetenschappen, maar een concreet ‘product’ realiseren binnen een onderzoek is vaak een onhaalbare kaart. Of de middelen of de tijd ontbreken. Met dit project wilde ik toch een stapje verder gaan en de opgedane inzichten didactisch toepassen om te kunnen delen met leerkrachten.

Met die motivatie ben ik gaan lobbyen bij uitgeverij VAN IN om mee te kunnen werken aan het nieuwe doe-boek. En daar heb ik nog geen moment spijt van gehad ook al kan je die uren nooit helemaal inbrengen. Ik heb gemiddeld 15 uur per week aan de eerste uitgave van Wonder gewerkt, 9 maanden lang, en nu zijn we in samenwerking met TWA bezig met een uitgave voor de tweede en derde graad. Weet je, met een kant-en-klaar invulboek kan je tot 75 à 80% van de leerkrachten bereiken en zo kunnen leraren zich professionaliseren zonder dat ze erna hun eigen materialen nog moeten aanpassen, lessen moeten inhalen omdat ze een studiedag gevolgd hebben, …

Ik wil de drempel voor leerlingen en leerkrachten om met wetenschappen bezig te zijn verlagen en zo meer interesse opwekken voor de wetenschap. Als dat kan met een boek, draag ik op die manier graag een steentje bij aan goed wetenschapsonderwijs. Mijn eerder onderzoek brengt me dus, via de uitgeverij, terug tot de kern van mijn taak als lerarenopleider.

"Voor het expertisecentrum Art of Teaching is het belangrijk dat de didactische inzichten uit het praktijkonderzoek ook daadwerkelijk leraren kunnen inspireren in hun klaspraktijk. De ontwikkeling van concrete lesmaterialen maakt de achterliggende didactische principes zichtbaar en tastbaar voor leraren en dat is een troef. Het blijft evenwel cruciaal dat leraren terzelfder tijd voldoende eigenaarschap opnemen en zelf ook  bewuste didactische keuzes blijven maken in functie van hun eigen klascontext."

Job De Meyere - Verantwoordelijke expertisecentrum Art of Teaching

Wat wil je dat leraren zeker meenemen wanneer ze je werkboek Wonder gebruiken in de les wetenschappen?

          Nele: Laat leerlingen echt verwonderd zijn over wat er rondom hen gebeurt. Laat hen vragen stellen en ga samen met hen binnen de wetenschapsdomeinen biologie, chemie, fysica en zelfs daarbuiten op zoek naar een manier om tot een antwoord te komen dat juist is en toch niet te ingewikkeld. Laat vanuit dat antwoord nieuwe vragen opborrelen om verder te gaan. Maak alles zo concreet mogelijk en breng elke denkstap optimaal in kaart. Laat de onderzoeksmethodiek een manier van denken worden bij de leerlingen. Verwar actief leren niet met bezig zijn in de klas of in groep.

 

EEn van de troeven van het nieuwe boek is: ‘Wonder maakt differentiatie écht haalbaar’. Hoe kan je die belofte waarmaken in een klas met toenemende diversiteit?

          Nele: Het boek bevat heel veel uitdagende doordenkertjes voor leerlingen. Voor de leerkracht is er een uitgebreide handleiding met differentiatiemogelijkheden en uitleg over hoe men leerlingen kan begeleiden, informatie over wat men kan weglaten of toevoegen en een digitaal luik met extra inspiratie. Voor de leerkracht met expertise en ervaring in zijn vakgebied gaat deze handleiding mogelijk overbodig zijn, maar ik zie hoe langer hoe meer leerkrachten wetenschapsvakken geven die na een carrièreswitch in het onderwijs terecht zijn gekomen en initieel een andere opleiding gevolgd hebben. Ik voel me verantwoordelijk om ook die generatie van leerkrachten goed te begeleiden en ondersteunen in hun klaspraktijk zodat zij de expertise en ervaring opdoen om goed wetenschapsonderwijs in te richten.

 

Waarom werd wetenschapsonderwijs eerder vooral theoretisch benaderd en evolueren we nu meer naar actief leren?

          Nele: Dat heb ik mezelf ook al vaak afgevraagd. Eerder gaf je de doelstelling onmiddellijk prijs bij de start van een les of nieuw hoofdstuk. Ik herinner me nog dat ik op het bord schreef: “Doel: aantonen dat massa en volume recht evenredig zijn”. Maar als je daar nu over nadenkt is het heel vreemd dat je de uitkomst al in je lesdoel meegeeft. Het is veel interessanter en leerrijker om de vraag te stellen: “Welk verband is er?” En dat je dat samen met je leerlingen onderzoekt.

Er zijn volgens mij 2 grote veranderingen die deze evolutie in het wetenschapsonderwijs teweeg hebben gebracht. Op de eerste plaats zijn er tal van digitale middelen ontwikkeld zoals video’s, applets, … waarmee wetenschappelijke fenomenen in de klas visueel getoond kunnen worden terwijl leerlingen vroeger verondersteld werden om dat aan te nemen op basis van een verhaal of theorie.

Daarnaast heeft de intrede en de toegankelijkheid van het internet ook veel veranderd voor wetenschapsonderwijs. Vroeger moest je al heel gedreven zijn om naar de bibliotheek te gaan en dingen op te zoeken. Nu vind je online een antwoord op al je vragen. Dat zorgt er ook voor dat er meer vrijheid is in de klas om vragen te stellen.

"Ik vind het jammer dat mijn kinderen al te oud zijn om deze methode tegen te komen in hun lessen. Zowel de onderwerpen als de gebruikte methodiek zijn zeer interessant, uitdagend en aansluitend bij het wat en hoe van wetenschappelijk onderzoek .”

Greet Decin - Directeur Lerarenopleiding

Er zijn critici die beweren dat wetenschapsonderwijs daardoor gemakkelijker is geworden. Deel jij deze mening?

          Nele: Nee, ik ben ervan overtuigd dat de methodiek van het doe-boek Wonder zeker niet gemakkelijker is dan de vorige onderwijsmaterialen. Wat we nu doen is wetenschap koppelen aan de realiteit en niet aan gecontroleerde labopraktijken. De activerende didactiek verhoogt de moeilijkheidsgraad want in de dagelijkse realiteit zit altijd een complexiteit die je niet kan nabootsen in een labo.

Verder is het ook zo dat de methodiek van actief leren het kennen, kunnen en toepassen van de leerling bevordert. Als een leerling vanuit een voorbeeld kan komen tot de theorie en dan gevraagd wordt om die theorie toe te passen in een ander concept, is de kans op slagen veel groter dan wanneer we onderwijzen vanuit een theoretische benadering.

Het boek Wonder maakt het eenvoudiger voor leerkrachten om actief leren toe te passen in de les en de juiste vragen te stellen om van de denkstappen en theorie, die opgenomen staan in het boek, een logisch en duidelijk verhaal te maken voor de leerlingen.

 

 

Wanneer ben je als vakexpert tevreden over je boek en hoe rond je zo’n opdracht af?

          Nele: Dat is misschien wel het moeilijkste aan deze hele denk- en schrijfopdracht. Als auteur van een boek dat mogelijk 10 jaar meegaat, heb je toch een hele verantwoordelijkheid ten aanzien van de leerling, leerkracht en uitgeverij. Duizenden leerlingen zullen les krijgen in wetenschappen volgens de voorbeelden, vragen, oefeningen, klemtonen, … die ik mee heb aangereikt. Die lessen zullen mee bepalen of jongeren zich verder verdiepen in wetenschappen. Daar word ik toch even stil van… Gelukkig kan ik rekenen op de steun van anderen die bevestigen wanneer het goed is. Wat ook helpt, zijn de strikte deadlines van de uitgeverij. Als het boek er in september moet liggen, worden er nu eenmaal vlotter knopen doorgehakt.

 

Als wetenschapper en lerarenopleider heb je de neiging om kritisch in vraag te stellen waar je mee bezig bent. Heb je in dit schrijfproces ook een kritische bedenking gehad?

          Nele: Toch wel. Ik heb dit boek geschreven samen met een gedreven leerkracht wetenschappen Liesbeth Bleys, een alumnus van onze opleiding aan hogeschool UCLL en Ineke Dhondt, vakexperte biologieWe zijn een complementair auteursteam. Liesbeth bracht de wetenschap binnen vanuit de klas, ik vanuit onderzoek naar een gepaste didactiek en ontwikkelingen in het vakgebied en Ineke bewaakte als coördinator of alles op elkaar afgestemd was. Samen waakten we over de juistheid van alle inhoud en toetsten we alle hoofdstukken af aan de eindtermen en leerplannen. Net daar knelt het schoentje.

In Vlaanderen kan elke leerkracht, expert, enthousiasteling, … onderwijsmaterialen uitbrengen zonder een strenge of onafhankelijke kwaliteitscontrole. Die ondernemingszin bewonder ik, maar zonder vakdidactici of eindcontrole, baart me dat ook zorgen. Want niet elke auteur of uitgever heeft de nodige expertise om na te gaan of alle inhoud juist is en of de eindtermen en leerplannen gevolgd worden. Vaak zijn zij ook niet op de hoogte van alle recente vakdidactische ontwikkelingen.  Leerkrachten staan daar niet altijd bij stil wanneer ze een boek gebruiken.

Laat dit dus een wake-upcall zijn voor de leerkracht om kritisch te blijven. Om die reden zetten we binnen de lerarenopleiding sterk in op kritisch omgaan met leermateriaal en het ontwikkelen van een authentieke lesstijl.  Laat deze kritische noot ook een uitnodiging zijn voor andere onderzoekers, vakdidactici en lerarenopleiders om zich, samen met leraren uit het werkveld, te engageren om kwaliteitsvolle en duurzame onderwijsmaterialen mee vorm te geven.

 

Hoe kijk jij naar de vele initiatieven die ondernomen worden om kinderen en jongeren warm te maken voor de wetenschap?

          Nele: Ik heb mijn kinderen daar nooit aan laten deelnemen en toch volgen ze wetenschappelijke studies. Mijn passie voor wetenschap kan daar natuurlijk voor iets tussen zitten, maar wat ik wil zeggen is: veel buitenschoolse initiatieven zijn gericht op kansrijke en geïnteresseerde kinderen en jongeren. Ik wil vooral leerlingen bereiken die, door omstandigheden, nog niet hebben kunnen kennismaken met de schoonheid van wetenschap. Als je de grote meerderheid wil bereiken en enthousiasmeren voor wetenschap, dan gebeurt dat best in de klas. Het grote voordeel van ons onderwijssysteem is dat leerlingen in de klas alle domeinen leren kennen.

Daarnaast kunnen die extra initiatieven ook de misvatting versterken waarbij STEM-initiatieven staan voor doen en toepassen en de ‘gewone wetenschap’ staat voor volgen. Dan zou je met al die wetenschapsdagen en -initiatieven net het omgekeerde effect bereiken. Waar ik bijvoorbeeld wel in geloof is dat er voor onze eigen Techniek- en Wetenschapsacademie mooie kansen en uitdagingen liggen in het bereiken van kansarme leerlingen. En als er kansen zijn, brengt de wetenschap ons weer vooruit.