Om de kwaliteit van de woningbouw in Vlaanderen te verbeteren, beslist de overheid dat alle aannemers jaarlijks het energie- en waterverbruik moeten rapporteren van alle wooneenheden die ze gebouwd hebben: appartementen, rijhuizen in de stad en villa’s op het platteland, woningen voor alleenstaanden en gezinswoningen. Op basis van die objectieve cijfers over energie- en watergebruik kan men zo de evolutie van de woningkwaliteit sneller opvolgen en eventueel bijsturen. Bovendien kan men een publieke rangschikking opstellen, zodat de burger inzicht krijgt in de objectieve kwaliteit van elke aannemer.

Deze denkoefening roept ongetwijfeld vragen bij u op. Is de kwaliteit van een woning zomaar te reduceren tot het energie- en waterverbruik? Of gaat woningkwaliteit ook over de geschiktheid van een woning voor de activiteiten en beperkingen van de bewoners; of omvat woningkwaliteit ook iets esthetisch, gevoelsmatigs en persoonlijks? Bovendien, kan men het energie- en waterverbruik van een klein eenpersoonsappartementje zomaar vergelijken met een gezinswoning op het platteland? En wat zegt zo’n rangschikking dan eigenlijk?

Vreemd genoeg is dit soort denkoefening in het Vlaamse onderwijs geen verzinsel. De Vlaamse regering wil binnenkort de Vlaamse toetsen invoeren, een systeem van gestandaardiseerde toetsen, met één helder doel: “de onderwijskwaliteit verbeteren”. Maar zijn centrale toetsen voor Nederlands en wiskunde wel een goede en voldoende maat voor de kwaliteit van het onderwijs? De Vlaamse onderwijsinspectie hanteert bewust een breed analysekader waarbij veel aspecten aan bod komen, net omdat onderwijskwaliteit zo’n complex gegeven is.

Zijn de Vlaamse toetsen dan mogelijk een goede aanvulling? Hier stelt zich de vraag of zulke toetsen wel objectief en neutraal kunnen zijn, en of ze wel meten wat we willen meten. Onderzoek toont dat het oplossen van toetsen in het basisonderwijs een goede taalvaardigheid en achtergrondkennis vereist, zelfs voor wiskunde. Gestandaardiseerde toetsen houden geen rekening met de sociaal-economische verschillen tussen leerlingen, hun thuistaal, hun leermoeilijkheden, etc. en hebben dus maar een erg beperkte informatiewaarde. Een rangschikking van scholen op basis van die beperkte en niet-neutrale informatie zou daarom een onjuist beeld van hun onderwijskwaliteit geven.

Steven Verjans, Opleidingsverantwoordelijke Lerarenopleiding Secundair Onderwijs Limburg

Deze opinie verscheen op 18 december 2021 ook in Het Belang van Limburg.

Ook interessant